Mongolia Bike Challenge

 

 


Vorig jaar zette National Geographic de wedstrijd in zijn top tien van mooiste mountainbikewedstrijden ter wereld, maar wie haalt het in zijn hoofd te gaan mountainbiken in een land dat niemand kent, ver van overal, en zo goed als onbewoond? Wie een week weg wil van de wereld, wie houdt van weidse vergezichten en een serieuze uitdaging kunnen we de Mongoolse steppe nochtans erg aanbevelen. Philippe Maertens had de wedstrijd al zes jaar op zijn bucket list staan. Het werd een verhaal van koude douches, bruine pis en volharding, maar ook van zalig fietsen met een snuifje cultuur, levenswijsheid en veel vriendschap.

Het idee rijpte al een week na mijn eerste deelname aan de Crocodile Trophy. Een filmpje over de - toen - derde editie van de Mongolia Bike Challenge deed me dromen over dat mysterieuse land, geprangd tussen China en Rusland. Op het eerste gezicht helemaal geen technisch zware, maar vooral een mentale uitdaging: eindeloze vlakten, slapen in tenten, geen mens ontmoeten, geen comfort en uiterst wisselende weersomstandigheden. Het wordt, zes jaar later, inderdaad pittig met ritten van 100 tot 130 kilometer en zo’n 11.000 hoogtemeters te verwerken op zes dagen. Maar het weer zit uiteindelijk mee en ik heb behoorlijk getraind. Dat scheelt al veel.

Al meteen op de luchthaven ontmoet ik de andere Belg die er van start zou gaan. Ik kende Stijn Dekeyser helemaal niet maar merk op het vliegtuig meteen dat er twee categorieën van fietsers zijn. Hij met compressiesokken, ik zonder. Hij met een glas water, ik met meerdere glazen wijn - om goed te kunnen slapen op de vlucht. Ook bij aankomst in de Mongoolse hoofdstad Ulaanbaatar krijg ik het warm bij het ontmoeten van de eerste andere deelnemers. De Amerikaanse Caroline loopt er constant met een drinkbus sportdrank en praat enkel over versnellingen of energierepen. Een Zweed, een Fransman en een Litouwer halen herinneringen op aan hun strijd om de zege het jaar ervoor. Ik hoop dat er ook normale stervelingen zullen deelnemen. Ik trek de stad in, op zoek naar een SIM-kaart en CO2-patronen en steek mijn fiets weer in mekaar. Op weg naar een restaurant bots ik op drie Spaanse deelnemers. Het wordt een gezellige avond. Antonio Ortiz blijkt nog in Vlaanderen gecrosst te hebben op de Koppenberg en in Gavere. We hebben meteen een gespreksonderwerp. Tegen het einde van de avond hebben we zelfs een ploeg samengesteld voor het ploegenklassement. Team Katusha zal zes dagen later zowaar als tweede eindigen, met dank aan de Spanjaarden. Op de algemene briefing vertelt de Italiaanse organisator Willy Mulonia dat we op niet te veel comfort moeten rekenen, dat het best mogelijk is dat de bewegwijzering verdwenen zal zijn omdat geiten de vlagjes hebben opgegeten of sommige locals de houten stokken gestolen hebben om hun joerts te verstevigen. This is Mongolia, is de meestgehoorde uitspraak van de dag. Uiteindelijk zijn we hiervoor gekomen. Voor het avontuur.

Dat avontuur start al vroeg op dag 1. Het is niet koud, maar de regen valt met bakken uit de hemel. De start uitstellen, daar is geen sprake van, omdat de politie ons de eerste 15 kilometer uit de drukke hoofdstad zal begeiden. Ulaanbaatar telt anderhalf miljoen inwoners. De helft van de Mongoolse bevolking woont daar, de andere helft leeft nomadisch in een land dat 50 keer groter is dan België. Tegen de eigenlijke start heeft het opgehouden met regenen. Ik trek mijn regenjasje uit en merk dat mijn rugnummer losgekomen is. Aan een toevallige buur, die Amerikaanse Caroline, vraag ik of ze die weer wil vastspelden, maar ze is zenuwachtig en heeft er geen tijd voor.

Na drie kwartier fietsen, wanneer de eerste twee hellingen verteerd zijn en de eerste posities ingenomen, blijk ik verzeild geraakt te zijn bij een Australiër en die Caroline. Zo sterk is ze dan toch niet? Ik voel me relatief goed en nadat de Australiër afgehaakt heeft, vraagt ze me tempo te maken. Waarom in godsnaam, denk ik. Voor een dertigste plaats? Later besef ik waarom. Caroline Colonna, een cross-triatlete, rijdt voor de zege bij de vrouwen. Ze zal alle zes ritten winnen. Ook ik moet haar laten gaan. Ze is toch wel sterker en ik stop bij de twee uitstekende bevoorradingsposten. Zij niet. ik wil op het einde van de rit ook nog een mini-ommetje doen langs het reusachtige standbeeld van de Mongoolse leider Dzjengis Khan. Voor de foto, om Bertrand, een ‘andere’ Leuvense schilder en sponsor van Rennersclub Korbeek-Lo, te plezieren. Hij is gehuwd met een Mongoolse.

Dag 1 in de steppe was heerlijk. Ik heb me goed gevoeld, genoten van de uitzichten en de heerlijke afdalingen. Remmen aanraken in de steppe-afdalingen is amper nodig. Mis je een bocht, dan sla je gewoon wat verder af. Je mag er enkel niet over nadenken wat er gebeurt wanneer daar een verscholen dikke steen op je pad ligt. En die liggen er wel.

Ik finish als 30e op 69 deelnemers en ben blij. Wat een contrast met vroegere wedstrijden waar ik bij de laatsten binnenkwam. Eindelijk heb ik eens tijd om te eten, te rusten, aan mijn fiets te werken, mijn kleding te wassen en mezelf. Dat laatste valt wel tegen. Er is vandaag slechts één douche, die ik dan nog deel met Caroline. Er is enkel ijskoud water. This is Mongolia.

Ooit, in de hoogdagen van Dzjengis Khan, was het Mongoolse rijk het grootste aaneengesloten imperium uit de wereldgeschiedenis. Het strekte zich uit van China tot aan de Donau. 33 miljoen vierkante kilometer. Daar blijft nu nog maar een brok van over en toch komt geen einde aan de vergezichten. We zijn halfweg in rit 2, de koninginnerit - 120 km en 2750 hoogtemeters. Je ziet wel een kilometer voor en achter je maar je ziet geen andere deelnemer. En toch is het onwaarschijnlijk genieten van het weg zijn van de wereld. Geen seconde voel je je onveilig. De geiten en schapen springen opzij. De wilde paarden en koeien bekijken het van een afstand.

Eens per jaar rijden hier wat fietsers door de steppe. Met een rugnummer. Er is geen reden om te koersen en toch doen ze het allemaal. Ze komen uit twintig landen en ’s avonds aan tafel heeft iedereen zijn eigen heldenverhaal. Stijn Dekeyser mag terecht trots zijn die dag. Hij finisht vijfde overall, na vier Khans - de profs - en als eerste in de Masters-1-categorie. Ik word 27e overall en ben even blij. Het gevoel was weer goed, ondanks nogal wat beklimmingen waar ik moest afstappen. Te steil of te moe. Maar zelfs tijdens het wandelen bleef het genieten. Wat een prachtige bloemenpracht in de bergweiden. Honderden soorten in evenveel verschillende kleuren.

Op dag drie voel ik meteen dat ik niet goed zit. Moe van bij de start, moe de hele rit. Ik heb geen zin meer in mijn broodnodige maar zoete gels. Ik wandel meer dan de voorbije dagen, ik word voorbijgereden door deelnemers die ik de afgelopen dagen nooit zag. Genieten is er niet bij. Jammer, want het parcours is heerlijk. We moeten zo’n twintig keer door een rivier. Door sommige kan je fietsen, door de meeste niet. De stroming is sterk en het water staat tot aan de heupen. Bij mij duurt het even voor ik stapje voor stapje door de rivieren raak.

Nog tien kilometer, vanaf nu gaat het weer bergop, ik olie mijn ketting en stop voor een plasje. Bruin… bruine pis. Nooit eerder gezien. Donkergeel, dat wel, maar bruin? Ik maak me wat zorgen maar heb geen keuze meer, ik moet verder. Opnieuw door twee beken. Ketting te vroeg geolied dus. Bij aankomst laaf ik me aan enkele Sengurs, het lokale bier, en vraag wat uitleg aan een Duitse deelnemer, een arts. Bruine urine? Dat is spierafbraak, je hoeft je niet meteen zorgen te maken, vertelt hij. ’s Avonds en de dagen erop is alles inderdaad weer normaal. Die avond is onze douche overigens de plaatselijke rivier. Ijskoud maar This is Mongolia. Voor het avontuur maar ook voor het slapen in de typische joerts trokken we naar Mongolië. Een joert of ger is een traditionele ronde en zelfs gezellige tent. Tapijt, een kacheltje, kastjes en bedden. Ik slaap er met drie Brazilianen, een Fransman en Tom, een Brit die duidelijk te zwaar staat, maar steeds net de tijdslimiet haalt.

Rit vier, 128 km, is simpel. 70 kilometer licht bergop en 70 bergaf. De afdaling helaas tegen de sterke wind in. Jammer. Rit vijf is een tijdrit, een rustdag dus. Heerlijk. Er zijn warme douches, er is internet en eindelijk wat tijd om te lezen en ook tijd om met een van de twee Mongoolse deelnemers te onderhandelen. Voor Bertrand wilde ik een outfit van de Mongoolse nationale ploeg versieren. Geen probleem voor Surenkhorloo Tumendemberel. Hij vraagt er wel 900 euro voor. Nee, dank je. Heb het dan maar achteraf gewoon bij de Londense producent besteld.

 

 

De zesde en laatste rit koers ik nog eens echt. Moet dit nog wel op mijn 56e? Voor het eerst blijf ik slim in een groepje om dan in de finale bergop weg te rijden. Dat ik kilo’s verloor de afgelopen weken rendeert dus echt wel. Half duizelig finish ik de negende Mongolia Bike Challenge, feestelijk begeleid door twee ruiters te paard.

Ik eindig 30e overall en 8e in de veteranencategorie maar ben sneller dan een Brit die in de Masters-2-categorie op het podium staat. Ik ben blij, maar niet meer dan dat. Na het finishen van de Crocodile Trophy stond ik minuten te janken van emotie. Nu niet, misschien doordat ik beter getraind aan de opdracht begon. Mijn tranen komen later dan toch wanneer Tom over de finish rijdt. Hij rijdt recht in mijn armen. Twee gelukkige mensen, heel ver van huis.

foto’s @palopennimartelli


 

 

 


 

December 2018 By Phillipe